4E VERGADERING. 24 VERGADERING VAN 30 JUNI 1921. vergadering, dat eigenlijk geen uitstel kan lijden en dat is het volgende: Bij het opmaken van de koopakte van de perceelen grond voor de bouwvereenigingen is verzuimd een klein perceeltje op te geven, dat er toe behoort, maar dat eigenlijk van geen belang is. Dit is een uitweg, die tusschen twee huizen in de Burgerhoutsche straat is gelegen. Het is een perceeltje van 3 Meter, dat dient voor uitweg van de daarachter gelegen weide en dat natuurlijk, wanneer het eenmaal op naam van de gemeente staat, aan die eigenaars zal verkocht worden, liever dan dat zij zouden riskeeren, dat er iets anders langs komt. Dat perceeltje is in den be ginnen verzuimd op te geven, daarom wil ik nog machti ging vragen om het nog bij den koop op te nemen. Daar al zeker wel geen bezwaar tegen zijn. De Voorzitter: Kunnen de leden zich met het voorstel van den heer Heerma van Voss vereenigen? Zonder hoofdelijke stemming wordt overeenkomstig het voorstel besloten. De Voorzitter: Verlangt thans een der leden in deze open bare vergadering nog het woord? De heer Geerssen: Mijnheer de Voorzitter. Aangezien de de hier gevestigde bad- en zweminrichting aan het einde van dit seizoen ophoudt te bestaan, zou ik graag van Burge meester en Wethouders zien, dat zij met plannen kwamen tot het plaatsen van eene nieuwe inrichting. Verder zou ik graag willen, dat de Commissie der bedrijven, waarvan de aanvulling tot drie leden tweemaal vergeten is op de agenda te plaatsen, in de volgende vergadering zal aangevuld wor den. U heeft immers zelf beweerd, dat U niet kunt verga deren, omdat die Commissie niet voltallig is. De heer Stey- aard is al van Februari af weg en mij dunkt, dat het nu toch wel tijd wordt, dat daarin wordt voorzien. De heer Voeten. Mijnheer de Voorzitter. Ik zou de politie verordening willen gewijzigd zien. Aan de Kade, aan de Lage Brug, wordt het den menschen verboden daar te han gen of te staan, en m.i. moet men die menschen daar juist laten staan met het oog op ongelukken, zooals er daar weer een heeft plaats gehad. Wanneer daar menschen staan, dan heeft men daar nooit ongelukken. Er zijn daar zoodoende al wel honderd kinderen uit het water gehaald. Ik zou er dan aan toegevoegd willen zien, dat het aan kinderen onder de twaalf jaar verboden is aan de haven te hangen, te spelen of te doen. De Voorzitter: U stelt voor eene verandering van de po litieverordening? De heer Voeten: Met zou misschien ook oogluikend toe gelaten kunnen worden, dat die menschen daar staan. De heer Heerma van Voss: U bedoelt de menschen, die daar hangen aan de brug en het verkeer daar altijd belem meren Die menschen staan daar soms met twintig man cp den stoep. Die stoep is daar gekomen voor de veiligheid, opdat men veilig de straat zou kunnen oversteken. Die men schen moeten maar op eene andere plaats gaan staan. De heer Voeten: Laat ons dan eene bepaling maken, dat die kinderen niet aan de haven mogen komen, tenminste zonder geleide. De heer Heerma van Voss: Dat dat kind verongelukt is, is niet omreden die menschen daar niet mogen staan. De heer Voeten: Dan zouden zij het gezien hebben cn dan was het ongeluk voorkomen, dat is al meermalen ge beurd. De heer Valkenburg: Mijnheer de Voorzitter. Ik zou U willen vragen of U geen inlichtingen kunt verschaffen om trent de overname van de scholen. !In de vergadering van Februari heeft de Voorzitter ons gezegd, dat in de eerstvolgende vergadering ons een ont werp zou bereiken omtrent de overname van verschillende gemeentelijke scholen door diverse particuliere, confessio- neele schoolbesturen en nu is het al einde Juni en nu heb ben wij daaromtrent nog niets gehoord. Die kwestie is ook van urgenten aard. Zoudt U daaromtrent iets kunnen mede- deelen, hoever die zaak reeds gevorderd is. De Voorzitter: Ik zou den heer Geerssen willen antwoor den, dat, wat de bad- en zweminrichting betreft, dit punt reeds in het College van Burgemeester en Wethouders is ter sprake gebracht, maar dat nog geen resultaat is bereikt. Deze zaak zal echter onze aandacht blijven houden. Wat de Commissie der bedrijven aangaat, dat punt zal de volgende vergadering in behandeling komen. Den heer Voeten wil ik, wat de wijziging van de politie verordening betreft, antwoorden, dat Burgemeester en Wet houders een en ander zullen ter sprake brengen en, indien het mogelijk is, een desbetreffend voorstel zullen indienen. Den heer Valkenburg in de kwestie van het onderwijs antwoorden, daar waag ik mij niet graag aan. Het onderwijs is eene speciale aangelegenheid voor den Burgemeester. Ik moet den heer Valkenburg daaromtrent teleurstellen, ik kan niet op mij nemen hem daaromtrent inlichtingen te geven; die zou ik liever aan den Voorzitter, die zich daar speciaal mede bezighoudt, overlaten. Ik geloof wel dat de volgende vergadering binnenkort zal gehouden worden en dat het nu geen twee maanden zal duren zoodat U derhalve spoedig in de gelegenheid zult zijn Uwe vraag aan den Voorzitter te herhalen. De heer Heerma van Voss: Ter nadere inlichting van den heer Valkenburg zou ik kunnen zeggen, dat de herhaalde be sprekingen, die hieromtrent hebben plaats gehad, zoover zijn gevorderd, dat met een weinig goeden wil de volgende ver gadering vooistellen kunnen gedaan worden. AVanneer er een klein beetje goede wil is en een beetje haast gemaakt wordt, dan zou ik zeggen, is dat geen moeilijke zaak. de Voorzitter: Verlangt in deze vergadering thans nog generaal tot het behandelen van de ons door de daarvoor aangewezen Commissie aangeboden reclames hoofdelijken omslag en schors met het oog daarop de openbare verga dering. Na heropening der vergadering zegt de Voorzitter: Verlangt in deze vergadering thans nog een der leden het woord? Niemand meer het woord verlangende sluit ik de verga dering. zijyorem Jld', ""STfa'S ïjriteS'd™ den TrgaLng negentienhonderd een en twintig door ons onderteekend. De Secretaris, De Voorzitter, 1 VERGADERING VAN 1 AUGUSTUS 1921. Vergadering van MAANDAG, 1 AUGUSTUS 1921 Bijeenroepingsuur 10^ uur des voormiddags. Onderwerpen ter behandeling: 1. Beëediging van het nieuw inkomende lid. 2. Brief van Gedeputeerde Staten betreffende vaststelling van het vermenigvuldigingscijfer voor de plaatselijke in komstenbelasting. Voorzitter: de Burgemeester, de heer A. L. G. H. M. COENEN. Aanwezig met den Voorzitter de heeren A. Wi. Braat en A. Heerma van Voss, Wethouders en de heeren F. Geerssen, J. A. Voeten, G. J. Konings, A. F. Vos, G. Aj van Dorst, P. C. M. Konings, C. A. Valkenburg, Chr. Ker-> stens en K. F. W. M. van Wely. Afwezig de heeren Jongeneelen, Verheijen en Jac. Vos. Secretaris: de heer A. A. RADEMAKERS. De Voorzitter: Mijne Heeren: Ik verklaar deze verga dering voor geopend. Ik heb de vergadering mede te dee- len, dat de heer Verheijen heeft kennis gegeven tot zijn spijt verhinderd te zijn deze vergadering te kunnen bij wonen. I. Beëediging van het nieuw inkomende lid. De Voorzitter: Ik zie, dat in ons midden verschenen is het nieuw benoemde lid, de heer G. Konings. Ik verzoek den heer Konings mede te deelen, of hij bereid is de bij de wet gevorderde eeden in mijne handen af te leggen? De heer G. Konings: Jawel, mijnheer de Voorzitter. De heer G. J. Konings legt vervolgens in handen van den Voorzitter de bij de wet gevorderde eeden af. De Voorzitter: Mijnheer Konings, het is mij aangenaam U andermaal in deze vergadering het welkom te mogen toeroepen. Ik ben er van overtuigd, dat U met dezelfde toewijding als voorheen de belangen Uwer geboorteplaats, die U werden toevertrouwd door de meerderheid van het kiezerstal, zult weten te behartigen. Ik verzoek U zitting te nemen. De heer G. Konings: Mijnheer de Voorzitter. Ik dank U voor de welwillende woorden te mijnen opzichte ge sproken. Toen ik ongeveer twee jaar geleden afscheid nam als lid van Uw College, heb ik gezegd, dat het mij speet geen lid van den Raad te kunnen blijven en wel hoofd zakelijk om deze reden, dat ik in de toekomst niet meer zou kunnen werkzaam zijn in het belang onzer dierbare gemeente. Nu ik weer opnieuw mijn intrede doe als lid van dit College, nu hoop ik dat het mij èn met Uw steun èn met de medewerking mijner medeleden gegeven moge zijn ook in de toekomst, voor zoover het mij zal toe gestaan zijn lid van Uw College te zijn, nog iets te kunnen medewerken in het belang van ons aller dierbaar Roo sendaal. II. Brief van Gedeputeerde Staten betreffende vaststelling van het vermenigvuldigingscijfer voor de plaatselijke inkomstenbelasting. De Voorzitter: Punt 2 der agenda, waarvoor deze verga dering eigenlijk is belegd, is een brief van Gedeputeerde Staten, aan Burgemeester en Wethouders gericht, omtrent het vermenigvuldigingscijfer van de plaatselijke inkomsten belasting. Ik verzoek den Secretaris voorlezing te geven van dat schrijven. De Secretaris geeft hiervan voorlezing. De Voorzitter: Mijne Heeren. Uit het schrijven blijkt, dat er bij Gedeputeerde Staten geen bezwaar bestaat tegen eenig artikel in de verordening op de plaatselijke inkom stenbelasting, zooals zij in Uwe vergadering van 30 Juni U. is vastgesteld. In de artikelen 5 en 6 van die verordening is de wijze geregeld, waarop het vermenigvuldigingscijfer wordt verkregen. De samensteller van de verordening meen de aan alle wettelijke voorschriften te hebben voldaan. De Minister van Binnenlandsche Zaken is echter van oor deel, dat het jaarlijks door den gemeenteraad vast te stellen vermenigvuldigingsgetal door H. M. de Koningin dient te worden goedgekeurd. Wij hebben ons aan de meening van den Minister van Binnenlandsche Zaken te onderwer pen en wij hebben gemeend U in deze spoedeischende vergadering te moeten bijeenroepen om dat vermenigvul digingscijfer vast te stellen en het besluit tot die vaststelling ten spoedigste ter goedkeuring te kunnen inzenden. Het is hetzelfde wat wij jaarlijks gedaan hebben, want in de vroeger geldende verordening stond ook dat jaarlijks de Gemeenteraad het heffingspercentage van de belasting zou vaststellen. Alleen behoefde tot nu toe niet jaarlijks die goedkeuring gevraagd te worden. Wij hebben gemeend met behandeling van het ingeko men schrijven niet te mogen wachten, omdat de gemeente, als de verordening nog in de maand Augustus zou worden goedgekeurd, van het Rijk zal krijgen de maandelijksche uitkeering, die de wijziging van de gemeentewet in uitzicht heeft gesteld. Wij krijgen dan elke maand een tiende gedeelte over het volle bedrag der belasting bij wijze van voorschot van het Rijk. OfcV dat niet te missen, acht ik het zeer verstandig van het Dagelijksch Bestuur om U, tijdens mijn beletsel om hier de leiding te nemen, dit schrij ven voor te leggen. Het doet mij genoegen, dat ik thans wederom persoonlijk deze vergadering mag voorzitten. Aan den Inspecteur van 's Rijks directe belastingen is ge vraagd geworden op hoeveel het totaal bedrag van de belastbare inkomens der ingezetenen kan gerekend worden voor het dienstjaar 1921/1922 en deze heeft geantwoord, dat wij op een gelijk totaal der belastbare inkomens mo gen rekenen als in het voorafgaande jaar. 'Daarom meenen Opneming strookje grond Burgerhoutsche straat bij aankoop grond voor woningbouw. Aanvulling Commissie voor de Bedrijven. Oprichten nieuwe badinrichting. Verbod samenscholing bij Brug aan de Kade. Reorganisatie lager onderwijs. Sluiting. Onderwerpen ter behandeling. Opening. Beëediging van het nieuw inkomende lid G. J. Konings. Vaststelling vermenigvuldigingsgetal plaatselijke inkomstenbelasting.

Raadsnotulen

Roosendaal: Notulen gemeenteraad, 1918-1935 | 1921 | | pagina 36