VERGADERING VAN 30 MEI 1919. Verschillende leden: Juist. De heer Van Gastel: Dat is de weg. De heer Braat: Mijnheer de Voorzitter! Alle werken, die destijds door de Commissie op de begroeting' zijn gebracht, zullen toch achtereenvolgens moeten worden afgewerkt eri nu kan ik mij wel vereenigen met de volgorde, die de Hoofd opzichter van Openbare Werken heeft aangegeven. Het is niet van zoo'n groot belang, of het dit jaar of het volgend jaar zal gebeuren, maar hoofdzaak is, dat wij beginnen. Wij zijn al zoo lang over die straten bezig, al zoo heel lang, dat het toch eindelijk eens tijd wordt, dat er begonnen wordt. Wanneer nu weer moet uitgesteld worden omtrent de kwes tie der Molenstraat, dan is de zomer ongeveer voorbij en „dan is er weer niets uitgevoerd. Het komt er niet op aan, of deze straat dit jaar of het volgend jaar wordt verbeterd, dat is van geen groot belang. Wij zijn van plan in een paar jaar die werken uit te voeren, dus het is zaak om te beiginnen, abso luut beginnen en gauw beginnen. Laat er ons niet lang over praten! De volgorde, die door Openbare Werken gegeven is, is van dien aard, dat er niet veel op te zeggen is. En wat nu betreft de eigenaars van de stoepen, ik geloof niet, dat die zelf zullen komen presenteeren om hunne stoepen af te staan. Dat zou heel mooi zijn, maar dit gebeurt niet. De gemeente zal tot die menschen moeten gaan en vragien, of zij bereid zijn hunne stoepen af te staan en willen zij dan niet, dan houdt alles op. Ik stel mij voor, dat zij dat graag zullen doen en misschien nog wel iets bijdragen zullen tot verharding van den weg. Dus Mijnheer de Voorzitter, wij moeten het voorstel van Publieke Werken aannemen en maar onmiddellijk beginnen. Wat nu de kwestie van dei stoepen in de Molenstraat betreft, laat de Molenstraat dan zoolang wachten. De heer G. Konings: De Molenstraat kan niet wachten. De heer Braat: Laat ons een begin maken. De Voorzitter: Mijne Heeren, de heer Braat stelt voor den staat van werken, zooals die hier ter tafel is gebracht, uit te voeren. De heer G. Konings: Dan zou ik eerst de volgorde nog wel eens willen hooren; die ben ik vergeten. De Voorzitter: Het eerste voorstel van Publieke Werken is, om de trottoirs in de Molenstraat te vernieuwen. Nu zegt de heer Braat, ik doe het voorstel om nergens mede! te wach ten en den staat van werken uit te voeren, zooals die ons is toegezonden. De heer Van Gastel: Dat is het radicaalste, afwerken! De heer Braat: Er moet toch eens begonnen worden. Alle maal praten! U heeft daarstraks van de Tweede Kamer ge zegd, dat er vielertien dagen gepraat was en niets uitgevoerd. De Voorzitter: U moet mij hier niets verwijten. Ik wil hier duidelijk doen kennen, dat de dienst van Openbare Werken heeft te zorgen voor aankoop der materialen, dat heb ik niet te doen. Dat doe ik ook niet, al duurt de af werking der voorstellen nog jaren. Ik ben geen ambtenaar in dienst van Publieke Werken. Dat hieieft ieder hoofdambte naar te doen. Wanneer een Hoofdambtenaar zijne begrooting heeft ingezonden, en deze wordt aangenomen, dan heieft hij voor de uitvoering te zorgen, niet de Burgemeester! Nu kunt U er zoolang over praten, als U wilt! De Hoofdopzich ter in dienst van Publieke Werken heeft ons voorstellen te doen, evenals de hoofdambtenaar aan de gasfabriek met de commissie van toezicht op de gasfabriek, de verfraaiïngscom- missie enz. Die zorgen voor het doen van voorstallen, niet de Burgemeester. Wanneer er dus een crediet is verleend hier van f 100.000.- dan heeft Publieke Werken te zorgen voor den aankoop van de materialen. Daar behoeft om niets op te worden gewacht. Het heeft mij meermalen verbaasd, dat in de maand Augustus, wanneer ik gewoonlijk in va- cantie ben, de publieke werken op die begrooting voorko mende, worden uitgevoerd. Ik heb dat in het Dagelijksch Bestuur meer dan eens gezegd. U moet mij niets verwijten! De minst aangename taak voor eien Voorzitter in den Raad is de zaak der Publieke Werken voor te staan! Ik ga niet accoord met alles, wat hier wordt voorgesteld. Ik heb nu nog stem in deze vergadering tot September en wanneer ik niet voor een zaak ben, breng ik evengoed mijne1 stem uit als de overige zestien raadsleden, die hier thans zitting hebben.. Nu kan ik mijn gevoelen niet onder stoelen of banken steken en ik zal dat gevoelen hier voorstaan en verdedigen, al sta ik daarin ook alleen! De heer Braat heeft het voorstel gedaan om alle voorge- gestelde werken uit te voeren. Ik breng dat voorstel graag ir: omvraag. Ik had de voorstellen artikelsgewijze willen be handelen, maar dat schijnt niet vlug genoeg te gaan, welnu zooveel te gemakkelijker! De heer Van Gastel: Mijnheer de Voorzitter! Zou het niet nuttig zijn eene tijdelijke Commissie te benoemen, die zich voor die uitgaaf van 200.000 gulden voor openbare werken eens wilde inspannen, om te zien, hoe leien en ander het best zou te schikken zijn? De Voorzitter: Wanneer U eene Commissie van Bijstand wenscht benoemd te zien, moeten 'Burgemeester en Wet houders hiertoe hielt voorstel doen en aangezien het College van Burgemeester en Wethouders bij zijn laatste vergade ring niet voltallig is geweest, heeft U hieromtrent nu geen voorstel bereikt, maar ik geloof wel, dat de strooming thans in dat College is, om een dergelijk voorstel te doen. Wanneer dat voorstel wordt gedaan, hoop ik echter, dat de Com missie die taak ook zal uitvoeren. De heer Van Gastel: Ik doe het voorstel om het Burge meester en Wethouders gemakkelijker te maken. De Voorzitter: Alle Commissies zijn voor Burgemeester en Wethouders nog geen verbetering Mijnheer Van Gastel! Dat zult U straks wel hooren! Men moet de werkzaamheden verrichten ook! Een Commissie van Bijstand kan alleen wor den benoemd op voorstel van Burgemeester en Wethouders zelf. Wanneer U eene Commissie ad hoe wilt benoemd zien, welke alleen dit vraagstuk zal afdoen, dan vrees ik, dat daar door de afdoening op de lange baan geschoven wordt. De heier Van Gastel: Dat kan toch zeker binnen eene maand klaar zijn. De Voorzitter: Wenscht U eene Commissie van drie leden benoemd te zien? De heer Van Gastel: Ja, Mijnheer de Voorzitter. De Voorzitter: Dat is geene Commissie van Bijstand, maar eene Commissie, die het onderwerp aan de orde zal afdoen. Zijn >er leden, die het voorstel van den heer Van Gastel on dersteunen? Niemand? Dan kan het verder geen punt van behandeling uitmaken. De heer Heerma van Voss: Mijnheer de Voorzitter! De reden, dat ik het voorstel van den heer Van Gastel niet steunde was, dat wij van U gehoord hebben, dat een voorstel kan verwacht worden tot instelling van eene Commissie van Bijstand; tenminste dat wordt in uitzicht gegeven. 15 VERGADERING VAN 30 MEI 1919. De Voorzitter: Dat heb ik niet gezegd. De heer Heerma van Voss: U heeft gezegd, dat Burge meester en Wethouders er over denken, zoo heb ik het be grepen. Is dat niet zoo, nu, dan hoop ik het maar en dan vind ik het heel wat beter, dat die Commissiiel van Bijstand komt voor alle openbare werken dan eene Commissie speciaal voor deze werken, want dat is dan ook maar een lapmiddel. Ik hoop, dat Burgemeester en Wethouders met eien voorstel tot het instellen eener vaste Commissie zullen komen, want zooals ik vroeger reeds meer gezegd heb, geloof ik, dat dit een buitengewoon goede zaak zou zijn voor onze gemeente. Verder, Mijnheer de Voorzitter, zou ik willen voorstellen, deze aanhangige voorstellen tot verbetering van straten tot de volgende'vergadering uit te stellen en Burgemeester en Wethouders uitnoodigen intusschen met de eigenaars van particuliere stoepen te praten, teneinde tot overeenstemming te geraken betreffende den afstand dier stoepen en te zien in hoeverre zij daarmede accoord kunnen krijgen, want zoo lang die twee zaken niet bepaald zijn, kunnen wij m. i. niet besluiten. De Voorzitter: Maakt U daar een voorstel van? De heer Heerma van Voss: Ja Mijnheer de Voorzitter. Het voorstel van den heer Heerma van Voss wordt onder steund door de heeren Van Gastel en Kerstens. In stemming gebracht staken de stemmen, zoodat de be slissing in eene volgende vergadering zal worden genomen. Vóór het voorstel stemden de heeren: Heerma van Voss, Van Gastel, Van Dorst, Kerstens, P. Konings, Jongeneelen en A. F. Vos. Tegen stemden de heeren: Voeten, K. van Wely, G. Ko nings, De Bruyn, Braat, E. van Wely en de Voorzitter. XVI. Mededeeling van ingekomen stukken. De Voorzitter: Ik hieb de vergadering mede te deelen, dat zijn ingekomen: 1. Schrijven d.d. 24 Februari 1919, van den Roosendaal- schen 'Bestuurdersbond, houdende klacht over het eilectrisch licht, en advies der electriciteitscommissiie. Besloten wordt dit schrijven voor de Raadsleden ter visie te leggen. 2. Schrijven van Gedeputeerde Staten dezer provincie d.d. 16 April 1919, G. nr. 215, ten geleide van het goedgekeurde raadsbesluit d.d. 31 Maart 1919 tot het aangaan eener geld- leening, groot f 16000.ten behoeve van de verfraaiing der gemeente. 3. Schrijven d.d. 16 April 1919, G. nr. 214 van Gedeputeer de Staten dezer provincie ten geleide van hielt goedgekeurde Raadsbesluit d.d. 31 Maart 1919 tot wijziging der begroo ting 1919. 4. Schrijven d.d. 16 April 1919 van den Nederlandschen Bond van Gemeente-Ambtenaren, houdende dankbetuiging voor de toegekende bijdrage voor haar rust- en vacantieoord De brieven nr. 2, 3 en 4 worden voor kennisgeving aan genomen. 5. Verzoek d.d. 26 April 1919 van J. B. Baeke tot aan koop van grond. Op verzoek van den Voorzitter geeft de Secretaris voor lezing van het verzoek. De Voorzitter: Dit vieirzoek had reeds op de convocatie moeten zijn geplaatst. Ik wensch de zaak niet aan te houden tot onze volgende vergadering; daarom vraag ik machtiging eene schattingscommissie aan te wijzen. Baeke heeft de twee woningen in het Zand, eenige jaren terug daar door het Burgerlijk Armbestuur gebouwd, aan gekocht. Hij wenscht thans het boschje, naast die woningen gelegen, van de gemeente aan te koopen. Dat boschje is ongeveer 28 Aren 60 c.A. groot. Ik wil trachten de1 zaak voortgang te doen hebben. Ik zag gaarne eenei Commissie van drie leden aangewezen, die ons eene schatting van de waarde van het hoekje grond zal geven voor de eerstvol gende vergadering. Ik heb de eer tot leden dier Commissie te benoemen de heeren Konings, wethouder, E. van Wely en Van Gastel. De heer P. Konings: Mijnheer de Voorzitter! Gaarne zou ik van deze benoeming worden ontheven, omdat het voor mij bezwaarlijk is zoo ver te loopen. Ik kan daaraan niet vol doen, of er zou voor mij een rijtuig beschikbaar moeten worden gesteld. De Voorzitter: De heer Konings heeft bezwaar om de be noeming aan te nemen. Ik neem daar genoegen mee en wijs nu in zijne plaats aan den heer Van Wely, wethouder, als Voorzitter. De heet E- van Wely: Ik ben nog wat ouder dan de heer Konings, Mijnheer de Voorzitter! Gelijke monniken, gelijke kappen! Zou U mij ook niet ontheffen? De Voorzitter: Verklaart U ook zoover niet meer te kun nen loopen? De heer E. van Wely: Neen. neen. De Voorzitter: Dan bestaat er geen reden voor. Verlangt er thans, alvorens in comité-generaal over te gaan, in deze openbare zitting nog een der leden het woord? De heer Van Dorst: Mijnheer de Voorzitter! In Nispen ligt over den Heybeekschen waterloop, in de Heybeeksche straat een houten brug. In enkele seizoenen van het jaar kan de brug het doorstroomende water niet verzetten. Die brug is te smal om veel water te kunnen doorlaten. Vandaar, dat er den laatsten tijd overstroomingen hebben plaats gehad, waardoor de weg wel een vijftig strekkende Meters onder water stond. Ik zou U willen vragen Mijnheer de Voorzitter of dat niet te verhelpen zou zijn met een noodduiker te leg gen. Deze duiker naast de brug gelegd zou de groote hoe veelheid water, die daaar komt, kunnen doorlaten. De belanghebbenden ter plaatse zijn bereid den weg te verbeteren. In den laatsten tijd is door de boeren wel een drie a vierhonderd karren zand in den weg verwerkt. De gelander, wiens eigendommen aan weerszijden van de brug zijn gelegen, is bereid den waterloop te laten vefbrteeden om zoodoende het water beter door den duiker te kunnen doen uitloozen. Verder was het wel gewenscht, dat de sloo- ten op de plaats, waar de weg werd overstroomd, eens na gezien werden, omdat die slooten zoo goed als dicht zitten. De heer G. Konings: Mijnheer de Voorzitter! Zoudt U mij kunnen inlichten hoe het staat met de aanlegplannen voor een rijwielpad van Roosendaal naar Nispen? Destijds, tijdens den oorlog, is tot aanleg van dat rijwielpad besloten. Ten gevolge der tijdsomstandigheden is de aanleg echter uitge steld. Nu wij wel kunnen aannemen, dat de tijdsomstandig heden, wat het verkeer op dien weg -aangaat, vrijwel nor maal zijn, vernam ik gaarne van U, hoever het met genoemd plan staat en of daar spoedig uitvoering aan zal worden ge geven. Verder wensch ik U te vragen, of U misschien in de gele- Bespreking verbetering en aanleg van straten en wegen. Bespreking verbetering en aanleg van straten en wegen. Mededeeling ingekomen stukken. (Benoeming scbattingscom- missie voor verkooping van grond aan J. B. Backx) Rondvraag (Heybeeksche brug fietspad van Roosendaal naar Nispen)

Raadsnotulen

Roosendaal: Notulen gemeenteraad, 1918-1935 | 1919 | | pagina 26