VERGADERING VAN 24 DECEMBER 1918. BEGROOTING DER GASFABRIEK. Rapport der Commissie: Een lid der Commissie geeft in overweging den reeds in het begin van het jaar 1917 aangewezen technischen adviseur der gasfabriek, waar deze zijn in uitzicht gesteld eindrapport nog niet heeft uitgebracht, van de hem gegeven opdracht te ont heffen en hem geen honorarium uit te keeren. De Commissie kan zich vereenigen met het voorstel tot verhooging van den prijs van het gas. In verband met die gasprijsverhooging viel het de Commissie evenwel op, dat op de begrooting eene rendement van slechts 18 M3 gas uit één H.L. steenkolen wordt geraamd. De Commissie stelt voor de begrooting van de gasfabriek vast te stellen, zooals zij door den Directeur is ingediend. De Voorzitter: Mijne Heeren! Bij de begrooting der gasfa briek heeft de Commissie belast met het onderzoek der ge- meentebegrooting voorgesteld om den technischen adviseur van de gasfabriek, waar deze zijn in uitzicht gesteld eindrap port nog niet heeft uitgebracht, van de hem gegeven op dracht te ontheffen en hem geen honorarium uit te keeren. Zooals het voorstel door de Commissie gedaan wordt, kan ik mij persoonlijk hiermede niet vereenigen. Men kan wel iemand zijn misnoegen te kennen geven, wanneer men meent, dat aan de hem gegeven opdracht door hem niet op tijd is voldaan, maar men kan er niet de straf aan toevoegen, dat hem geen honorarium wordt uitgekeerd. Ik zou dus niet'dur ven adviseeren op het voorstel der Commissie in te gaan. De Raad kan zich wel uitspreken om een termijn voor de uitvoering van zijne opdracht vast te stellen, maar niet een besluit nemen, zooals hier is voorgesteld. Ik vind, dat dat niet in toepassing kan worden gebracht. De heer Heerma van Voss: Mijnheer de Voorzitter! Wordt die adviseur van jaar tot jaar aangesteld, of is die aanstelling herroepend? De Voorzitter: Die adviseur heeft eene bepaalde opdracht gekregen. Hij heeft zijn derde rapport nog in te dienen. Wan neer de Commissie hierop had gewezen, hadden wij dien ad viseur daarop direct attent kunnen maken. Feitelijk hadden èn de Commissie èn Burgemeester en Wethouders, die hem de opdracht hebben gegeven, hem op zijne verplichting kun nen wijzen; maar het gaat niet op om bij gelegenheid eener begrooting te zeggen: Vriend, gij krijgt als straf voor het werk vroeger door U ingediend geen honorarium. Wel ben ik er voor, den adviseur te verplichten, zijn rapport in de maand Januari in te zenden. De heer Braat: Mijnheer de Voorzitter! Ik zou Burge meester en Wethouders willen vragen welk deel van het honorarium aan die Mijnheer van Veen moet worden gege ven. Er zijn twee rapporten ingekomen, die geen waarde hebben, als het derde niet inkomt, en het is al zoolang gele den, dat het tweede ingekomen is, dat het derde geen waarde meer heeft; de tijd om dat te kunnen beoordeelen is voorbij Hoe is het mogelijk, dat iemand, die de opdracht heeft om een rapport uit te brengen, daar meer dan een jaar over doet. Dat moet in acht dagen kunnen gebeuren. Ik vraag mij af, of wij in deze niet gerechtigd zouden zijn dien man van zijn opdracht te ontslaan en hem geen honorarium uit te kee ren. Wij behoeven met dien man absoluut geen concessie te gebruiken. Het is ongepermitteerd, hoe hij de gemeente heeft gedupeerd. Hij lacht met ons! Is dat nu een manier van doen om na zooveel maanden nog geen rapport in te zenden. Het eindrapport is het voornaamste! Daaruit kan de Raad zien, wat zijn conclusies zijn. daaruit kunnen wij beoordeelen, hoe het met de gasfabriek staat. Die twee rapporten zeggen niets! En komt nu het eindrapport, dan zijn wij allang vergeten, wat in de béide vorige staat. Absoluut ben ik er voor Mijn heer de Voorzitter, dien man van zijne opdracht te ontslaan en hem geen honorarium toe te kennen. De Voorzitter: Wanneer de Voorzitter van de Commissie bij zijn voorstel blijft, zal ik het in omvraag brengen. Aange zien het geen voorstel van de Commissie is, moet het onder steund worden. Is er iemand van de leden, die ondersteunt? De heeren De Bruyn en Schul ondersteunen het voorstel. De Voorzitter: Dan zal ik het voorstel in omvraag bren gen. De heer De Bruyn: Ja, Mijnheer de Voorzitter, ik vraag mijzelve ook af die man had dat allang moeten doen moet de gemeente nu maar steeds alle mogelijke consideratie gebruiken, zoolang iemand feitelijk zijn werk niet goed doet? Als zoo iets met een particulier gebeurde, dan geloof ik, dat die er anders mede om zou springen. Ik durf dat voorstel van den heer Braat gerust ondersteunen. Zoo iemand heeft dat verdiend, dat hij ontheven wordt van zijn opdracht en geen honorarium zal genieten. De heer Heerma van Voss: Mijnheer de Voorzitter! Ik ben er meer voor om dien man een ultimatum te stellen, dat hij in zooveel tijd zijn rapport heeft in te leveren. Ik zou in 't vervolg die persoon geen opdracht meer geven om een rap port uit te brengen. Ik herinner mij nog, dat wij een paar jaar geleden in onze Commissie tot het nazien der begrooting, een ander voor stel hadden, maar toen heeft het Dagelijksch Bestuur in zijne memorie van antwoord megedeeld, dat zij in onderhande ling waren met het bureau Van Veen te Breda. Toen hadden wij echter een ander voorstel, en ik geloof, dat dit betere resultaten zou gegeven hebben. Ik zou Burgemeester en Wethouders in overweging willen geven, wanneer niet gauw het rapport inkomt, om het voorstel van de vroegere Com missie te willen nazien. De heer Braat: Ik heb daar juist al gezegd, het rapport komt te laat. Het kan geen resultaat meer hebben, het is veel te laat, de tijd is voorbij, dat het rapport nog iets zou kunnen uitwerken. De heer Heerma van Voss: De opdracht is eigenlijk gege ven niet waar. De heer Braat: Het komt er niet op aan, dan moet hij maar aan zijn opdracht gevolg geven. De heer E. van Wely: Ik zou de vergadering willen vragen of wij wel competent zijn om dat te doen? De Voorzitter: Ik heb mijn gevoelen gezegd. Ik zal niet ontkennen, dat er geen grond voor bestaat om aan den adviseur onze ontevredenheid te betuigen, maar om zoover te gaan, als hier wordt voorgesteld, daartegen bestaat bij mij bezwaar. De heer Braat: Die man zal blij zijn, als hij er van af is. De heer E. van Wely: Ja, als hij zijn centen ontvangt. De heer Schul: Hij heeft zijn rapport niet op tijd ingezon den. De heer E. van Wely: Het is mogelijk, dat hij ziek is ge weest, of dit of dat. De heer Van Gastel: Er is geen tijd voor bepaald. De Voorzitter: Laten wij nu afwerken. Ik zal het voorstel VERGADERING VAN 24 DECEMBER 1918. Behandeling der begrooting 1919 der gasfabriek. door den heer Braat gedaan en ondersteund door de leden De Bruyn en Schul in omvraag brengen. Het voorstel wordt met 9 tegen 6 stemmen aangenomen. Voor stemden de heeren: A. Vos, Kerstens, E. van Wely, Voeten, Braat, Schul, G. Konings, Jongeneelen en De Bruyn. Tegen stemden de heeren: Heerma van Voss, P. Konings, Van Gastel, K. van Wely, Jac. Vos en de Voorzitter. De Voorzitter: Dit besluit zal aan den heer Van Veen worden medegedeeld. Nu blijft de vraag, of de Commissie tevreden is, dat de Raad nu niets meer over de exploitatie van de gasfabriek zal vernemen. De heer Braat heeft ge zegd, dat indiening van een rapport te laat is, maar ik voor mij zou graag zien, dat van het gasbedrijf bij den Raad een rapport inkwam. Of oordeelt de Raad, ik ben nu tevreden, nu doen wij niets meer? Door de Commissie is er op gewe zen, dat Burgemeester en Wethouders de begrooting te laat hebben ingezonden. De directeur der gasfabriek is verplicht zijne begrooting in Juli in te zenden. Hij heeft het nog na ons gedaan, doch daarover zwijgt de Commissie. De heer De Bruyn. Wij hebben gemeend, dat die daarbij begrepen was. De Voorzitter: Ik heb de begrooting niet ingezien. Door de Commissie is alleen dit voorstel gedaan; dat is ook het eenige. Verder gaat de Commissie mêe met de voorgestelde prijsverhooging. Ik constateer, dat nu alles naar wensch gaat en dat alles couleur de rose is aan de gasfabriek tegen woordig. De heer Braat: Wij meenen, dat het beheer der gasfabriek den Gemeenteraad genoegzaam bekend is, dat daarvan niets meer gezegd behoeft te worden. Wij hebben eene aanmerking, wat de techniek der gasfabriek aangaat, de gasfabriek pro duceert 18 M3 gas per H.L. uit hare steenkolen, terwijl in andere plaatsen overal eene veel hoogere productie bereikt wordt. Dat hebben wij al zoo dikwijls gezegd, dat behoeven wij niet te herhalen, dat geeft niets, dat blijft toch zoo. Onze gasfabriek behoort altijd tot die fabrieken, die het minste produceeren uit hare kolen. Wanneer U vraagt, moet er niets meer gedaan worden, dan zeg ik, dat is mijne bedoeling niet. Mijne bedoeling Is geen advies daaromtrent te vragen aan het bureau Van Veen; dat kunnen wij gerust loslaten. Voor de rest moet de Raad zien, wat hij doet. Wilt U een ander de opdracht geven, goed, maar het zal allemaal zoo weinig helpen. De rapporten zul len inkomen en het zal al maar door geld kosten. Maar dat alles geeft niets, er komt geen verandering en dat is onver standig! Wat het beleid aangaat, de Raad weet het heel goed, buitengewoon goed! De Voorzitter: De Commissie kan zich vereenigen met het voorstel betreffende den verhoogden prijs van het gas. Er is gisteren gezegd geworden in verband met de prijsver hooging van het water, dat er een nader voorstel in den Raad zou worden gedaan, rekening houdende met de inkom sten der waterverbruikers en wanneer dat voorstel zou worden aangenomen, dat er dan verder ook rekening dient gehouden te worden met de inkomsten der gasver- bruikers, want hier is juist het omgekeerde het ge val. Wanneer hier de prijs verhoogd wordt, worden zij, die geacht moeten worden het minst mogelijke op te brengen, bij de gasfabriek nog met 1 cent verhoogd. Ik vraag mij af, of het niet noodig is, dat wij daar ook nog aan denken, alvorens wij hiertoe overgaan, want wanneer men het eene zegt voor de waterverbruikers, dient men het ook voor de gasfabriek te bepalen. Ik ben al tijd een ander systeem toegedaan geweest; maar dat is de basis, waarop de Commissie zich stelt. De waterleidingdirec tie stelt zich ook op den basis, wanneer de waterprijzen 15% verhoogd worden. Dat doet de Commissie dito. Wanneer nu de Gemeenteraad zou medegaan met het voorstel om de waterprijzen voor minvermogenden te verlagen, dan vraag ik U af, of niet hetzelfde gedaan dient te worden ten opzichte van de gaslevering. Ik zou het heelemaal approbeeren, maar ik wil nu toch niet gaan zeggen, wij gaan nu den gas- prijs verhoogen ook voor de minvermogenden. Wanneer ik de nadere vergadering zal uitschrijven op a.s. Maandag 5 uur, dan zullen wij misschien tot de conclusie komen, dat wij voor de minvermogenden een minderen prijs dienen te bepalen. De gasfabriek is een gemeenteinstelling, terwijl de waterlei ding dit slechts indirect is. De petroleumprijzen zijn destijds ook verlaagd. Ik breng dit alleen maar in het midden in de hoop, dat uit den boezem van deze vergadering een voorstel zal komen om dat punt, betreffende de verhooging van den prijs aan te houden, ja dan neen. Maar daar staat tegenover, dat wij niet langer kunnen wachten, omdat de kolentoevoer niet fameus is en de prijsverhooging bij verordening dient bepaald te worden, want zooals wij nu op het oogenblik er met de gasfabriek bijstaan, is de toestand zoo, dat er hoog stens nog voor tien dagen steenkolen voorhanden zijn. Ik heb gisteren een speciaal verzoek gekregen om dit in deze ver gadering te zeggen. De zuinigheid van de gasconsumenten is niet voldoende. Er wordt nog veel te veel gas verbruikt. De gasverbruikers dienen zich zooveel mogelijk in het ge bruik van gas te beperken. Wordt dit door hen niet gedaan, dan moet noodwendig de invoering van gaslooze dagen vol gen, teneinde te voorkomen, dat de gemeente in het donker komt te zitten. In de vast te stellen verordening op de gas- rantsoeneering dient uitdrukkelijk te worden bepaald, dat de uitvoering daarvan niet berust bij Burgemeester en Wethou ders maar bij den directeur van het bedrijf. Die taak is niet aan Burgemeester en Wethouders; dat is het werk van den leider van het gasbedrijf. Het is niet voldoende, dat Burge meester en Wethouders schriftelijk in kennis worden ge steld van de opneming der meters over de verloopen maand, dat deze of gene verbruiker zooveel meters gas te veel heeft gebruikt, om verder de uitvoering aan het College van Bur gemeester en Wethouders over te laten. Burgemeester en Wethouders moeten niet als dienend college van de ambte naren worden gesteld. Daarom dient in verordeningen bij bepaalde artikelen te worden bepaald, dat de uitvoering van die artikelen wordt gelegd in de handen van de leiders van een bedrijf, teneinde deze daardoor te beletten zich te ver schuilen achter beweringen als: dat is mij bij verordening niet opgedragen, ik droeg daar officieel geen kennis van, en zoo meer. Ik betreur, dat het rapport van Van Veen niet is ingeko men. Mij is dit persoonlijk ontgaan; anders had ik er stellig bij dat advies-bureau op aangedrongen. Laat de gasverbrui kers toch zorgen met de aanstaande Kerstdagen de meest mogelijke zuinigheid in het gebruik van gas te betrachten. Het is niet doenlijk alles in eene verordening tot in de ge ringste bijzonderheden te omschrijven. Welwillendheid en zorgzaamheid moeten in deze van beider zijde worden be tracht. De dienstvoorwaarden voor alle ambtenaren zijn ver- Behandeling der begrooting 1919 der gasfabriek. (Besluit tot ontheffing van de aan het bureau van Veen verstrekte opdracht tot het uitbrengen van technisch advies over de gasfabriek.)

Raadsnotulen

Roosendaal: Notulen gemeenteraad, 1918-1935 | 1918 | | pagina 95