VERGADERING VAN 30 DECEMBER 1918. mer van Koophandel, steunen. Ik breng nu het eerste gedeelte van het voorstel, zijnde punt I, in stemming. Het voorstel wordt met 12 tegen 3 stemmen aangenomen. Vóór stemden de heeren: Voeten, A. Vos, Van Gastel, De Bruyn, Braat, Van Dorst, K. van Wely, P. Konings, Jon- geneelen, G. Konings, J. Verheijen en de Voorzitter. Tegen stemden de heeren: Kerstens, Heerma van Voss en E. van Wely. Het tweede voorstel om den afschrijvingstermijn, zooals aanvankelijk was bepaald, te houden op 5 jaar, wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen. De Voorzitter: Thans stel ik aan de orde het derde ge deelte van het voorstel te weten: dat de kostprijs van den stroom zal worden verlaagd met 25% voor de abonnemen ten, en dat de weektermijnen van half Mei tot half Augustus niet zullen worden berekend. In stemming gebracht wordt dit gedeelte van het voorstel met algemeene stemmen aangenomen. De Voorzitter: Tenslotte het vierde voorstel om de prijzen voor Roosendaal en Nispen gelijk te doen zijn. Burgemeester en Wethouders geven als hunne vaste mee ning te kennen, dat de ingezetenen eener gemeente op gelijke wijze dienen te worden behandeld. Zonder hoofdelijke stemming wordt dit voorstel aange nomen en is dus het volgende besluit vastgesteld: De Raad der gemeente Roosendaal en Nispen, Gezien de voorstellen der Electriciteitscommissie in die gemeente, HEEFT BESLOTEN: lo. de blijkens de bij dit besluit behoorende rentabiliteits- rekening betaalde meer kosten op de netten Roosendaal en Nispen, ten bedrage van 150.000.ten laste der crisisuitga ven der gemeente te brengen; 2o. den afschrijvingstermijn, zooals oorspronkelijk was be paald, te houden op 5 jaren; 3o. den kostprijs van den stroom te verminderen met 25% en wel zoo dat bij abonnementen de weektermijnen van half Mei tot half Augustus niet worden betaald, en bij afname over den meter de K.W.U. prijs wordt bepaald op 45 cent; 4o. de prijzen voor Roosendaal en voor Nispen gelijk te stellen. Aldus vastgesteld door den Raad der gemeente Roosen daal en Nispen in zijne openbare vergadering van 30 Decem ber 1918. De Secretaris, De Voorzitter, A. A. RADEMAKERS. AUG. COENEN. De heer E. van Wely: Mijnheer de Voorzitter! Ik zou nog graag eenige inlichtingen wenschen, of de krachtinstallaties voldoende zijn om alle abonne's van electriciteit te voorzien. Ik hoorde daar zooeven over spreken, en vernam, dat een van de centrales niet zal werken. Wat hebben wij er dan aan om veel aansluitingen te krijgen, wanneer wij over geen voldoende kracht beschikken. De Voorzitter: Ik denk, dat de Commissie daarop gaarne antwoord zal geven. Ik kan niet anders veronderstellen dan dat de Commissie er ook rekening mede gehouden heeft, dat hoe meer aansluitingen er komen, voor hoe meer energie zij te zorgen heeft. Ik twijfel daar geen oogenblik aan. Ik hoop, dat er zeer veel aansluitingen zullen komen, en dat het be drijf goed gaat. De heer E. van Wely: Ik hoor, dat er zich al een terugge trokken heeft. De heer Verheijen: Mijnheer de Voorzitter! Daar kan ik dit antwoord op geven. Wanneer de heer E. van Wely ge hoord heeft, dat een der heeren zich teruggetrokken heeft, dan heeft hij meer gehoord dan ik. Dat echter op 't oogenblik niet alle centrales in bedrijf zijn, is volkomen juist. Het spreekt van zelf, dat men bij uitbreiding van het net zes weken op de goedkeuring van Gedeputeerde Staten heeft te wachten. In verband met de uitbreiding van het net, hebben wij een van de centrales verplaatst. De centrale, die eerst geprojecteerd was bij Verstegen, is gebracht bij Van Broek hoven tegenover Charitas, omdat die daar beter voor de belasting zat. Maar dat zich overigens een van de Roosen- daalsche heeren zou hebben teruggetrokken, is absoluut on waar. De centrale A aan de Noordzijde van de Markt is op 't oogenblik in bedrijf en omdat die precies voldoende is voor de belasting, hebben wij het niet noodig geoordeeld de cen trale aan de Zuidzijde van de Markt tegelijkertijd in bedrijf te stellen, niettegenstaande deze ook tot belasting in staat is. Wanneer wij terwille van de zuinigheid een van de centrales stopzetten, dan moeten de heeren niet veronderstellen, dat de eigenaar zich zoo maar bruut heeft teruggetrokken, daar is geen sprake van. Wat de capaciteit aangaat, eene vluchtige calculatie toont aan, dat wanneer Roosendaal de beschikking zal hebben over 95 K.W., dit overeenkomt met De heer E. van Wely: Ik vraag niets dan ja of neen. Wat heb ik aan die uitrekening van zooveel K. W. Voor de eerste aansluitingen hebben wij geen gevaar, maar het is juist voor de anderen. Wanneer ja of neen wordt geantwoord, dan vind ik dat voldoende. De heer Verheijen: Met die 95 K. W. Mijnheer de Voorzit ter kunnen wij 3000 lampen van 50 kaarsen aansluiten. Als de heer Van Wely meent, dat dit voor Roosendaal voldoende is, dan kunnen wij tevreden zijn. Is hij van meening, dat het niet voldoende is, dan kan ik het ook niet meer verhelpen. De heer E. van Wely: Mijne bedoeling is alleen maar te vernemen, ja of neen. De heer Verheijen: Als ik zeg, wij kunnen 3000 lampen hangen, maar U wilt er meer hebben, dan kan ik ze niet le veren. Aan 3000 lampen hebben wij genoeg en ik geloof, dat wij het in geval van lichtloosheid in Roosendaal een heel eind zouden brengen. II. Brief van de Maatschappij tot Bouw en Exploitatie van Gemeentebedrijven tot verhooging van den prijs van het water der drinkwaterleiding met 15%. De Voorzitter: Mijne Heeren! Ook dit punt is in de vorige vergadering aangehouden. Er is in die vergadering een oogen blik sprake geweest om voor hen, die den geringsten abon nementsprijs betalen, tot verlaging van dien prijs over te gaan Zij, die daarvoor zijn geweest, hebben gelegenheid gehad om zich in deze week te bedenken, en zullen nu met hun voorstel daaromtrent wel tot den Raad willen komen. Ik wacht dan ook de voorstellen van degenen, die hiervoor zijn, gaarne in. Komt er geen voorstel, dan breng ik alleen het voorstel van de waterleidingmaatschappij in omvraag om de water- prijzen met 15% te verhoogen. De heer Kerstens: Mijnheer de Voorzitter! Ik wilde wel eens vragen, of die 15% verhooging op den prijs blijft, of wel dat daarvoor een termijn is gesteld? Nu is de toestand ab normaal, maar wanneer die eenmaal normaal wordt, blijven die 15% er dan ook op? VERGADERING VAN 30 DECEMBER 1918. De Voorzitter: Zooals het voorstel wordt gedaan, zullen die 15% er voor goed op blijven, maar verstandiger is het die verhoogingen alleen voor het jaar 1919 toe te staan. Ik vind Uwe vraag zeer correct. Verlangt nog een lid het woord? Niemand? Dan zal ik alleen het voorstel in omvraag brengen om den prijs van het water met 15% te verhoogen, en naar aanleiding van de juiste opmerking- van den heer Kerstens er bij bepalen voor het jaar 1919. De heer Van Gastel: Mijnheer de Voorzitter: Kan dat niet geschikt worden, dat het op crisisuitgaven gebracht wordt? De Voorzitter: Dat gaat ons niet aan. De heer Van Gastel: Het is toch tengevolge van den bui tengewonen tijd; omdat de petroleum duurder is enz. De heer E. van Wely: Het is allemaal hetzelfde. De Voorzitter: Dan geloof ik niet, dat ik het voorstel aan den Raad zou durven voorleggen. Het is niet een bedrijf, dat door de gemeente geëxploiteerd wordt, maar dit voorstel zou ik toch niet durven doen. Als U het voorstel doet en het wordt ondersteund, dan zal ik het in omvraag brengen, maar dan kunnen wij de Maatschappij voor goed 15% verhooging toestaan, dat is dan het eenvoudigste van al. De heer Van Gastel: Voor dit jaar ja, juist, dat is mijn voorstel; anders denk ik, dat het veel moeilijkheden zal te weegbrengen. De heer Braat: Mijnheer de Voorzitter! Alvorens de be slissing hierover valt, zou ik even willen spreken over het loon, dat door de Maatschappij wordt betaald. De vorige ver gadering is dat ook besproken, en mij dunkt dat dit werkelijk zoo niet mag blijven, als die loonen veel lager, aanmerkelijk lager zijn dan die, welke op 't oogenblik hier in de gemeente worden betaald. En ook al wordt ons bedrijf geëxploiteerd door de Maatschappij, dan gaat het niet aan, dat de ambte naren, die daaraan werkzaam zijn, veel lagere salarissen zouden hebben dan de gemeenteambtenaren. Daar komt nog dit bij, dat de laatste vergadering de pensioensbijdragen voor de ambtenaren voor rekening der gemeente zijn geno men; dus die verkeeren wel in bijzonder gunstige positie. Nu vind ik, dat, waar de waterleiding feitelijk een gemeente bedrijf is, als de Maatschappij het niet doet, wij rekening moeten houden met het loon, dat daar uitbetaaald wordt. Nu zou ik willen vragen, kan aan dat besluit niet de voorwaar de verbonden worden, dat er gezorgd moet worden, dat de loonen op peil worden gebracht en zoo niet, dat wij dan niet kunnen toestaan, dat de prijs van het water met 15% wordt verhoogd. De heer Voeten: Mijnheer de Voorzitter! Mag ik naar aanleiding van het gesprokene door den heer Braat in afwij king der agenda iets vragen? De pensioensbijdragen der amb tenaren zijn volgens het besluit der vorige vergadering voor rekening der gemeente genomen, geldt die bepaling ook voor de onderwijzers? De Voorzitter: Neen. De heer Voeten: Dat vind ik onbillijk. De Voorzitter: Het voorstel, dat door Burgemeester en Wethouders is gedaan, betrof alleen de gemeente-ambtena ren, vallende onder de pensioenwet voor gemeenteambtena ren 1913, en daar behooren de onderwijzers niet toe. De heer Voeten: In den tijd, dat die verandering is ge maakt, gold voor de pensioensbijdragen der onderwijzers een zekere maatstaf en toen heeft U daar de ambtenaren van de secretarie ook onder gerekend. Nu vind ik het billijk voor de onderwijzers ook dezelfde regeling te treffen. De Voorzitter: Wanneer de onderwijzers meenen, dat zij ook onder deze regeling gebracht kunnen worden, dan ligt het op hun weg daaromtrent een verzoek in te dienen bij Burgemeester en Wethouders of den Gemeenteraad, dan kan dit punt nog nader in overweging worden genomen, maar ik mag U zeker wel opmerken, dat dit punt thans niet aan de orde is. De heer Voeten: Daarom heb ik ook gevraagd in afwijking van de agenda. De heer Heerma van Voss: De vorige vergadering, toen dit punt ter sprake was gebracht, is in overweging gegeven om de kleine verbruikers, b.v. de éénkamerbewoners niet in die verhooging te doen deelen. De Voorzitter: Die aangeslotenen heeft de gemeente reeds voor hare rekening genomen. Dat is reeds gebeurd in het begin van dit jaar. De heer Heerma van Voss: Niet geheel en al. De Voorzitter: Het verhoogd tarief, wat zij toen hadden te betalen, was voor allen een uitgaaf van negenhonderd gulden. De heer Heerma van Voss: Ja, maar of op die personen deze 15% ook van toepassing is? Het is toch rationeel den prijs voor die menschen niet te verhoogen. De heer Verheijen: Mijnheer de Voorzitter! Het komt mij voor, dat het standpunt, waarop wij ons plaatsen, niet volko men logisch is. Wanneer wij erkennen, dat de waterprijs te laag is, moeten wij toch niet tegen de Maatschappij zeggen, nu zullen wij onze belastingbetalers, de consumenten, die jul lie water betalen, 15% verhooging op hun kap schuiven, maar wat wij voor onze rekening hebben te nemen, daar blijf je af. Dat gaat niet op. Wanneer wij iets geven, moeten wij er kennen, dat de prijs te laag is, en de verhooging algemeen toestaan. Meenen wij, dat deze niet mag drukken op de klei ne verbruikers, dan ligt het op den weg om het systeem toe te passen van den heer Van Gastel en die ten laste van de crisisuitgaven te brengen. Zooals in eene vorige vergadering is besloten, behoort dan het bedrag van f 900.met enkele honderden guldens verhoogd te worden. De Voorzitter: Verlangt nog een der leden het woord? Niemand? Ik ben den heer Braat dankbaar, dat hij er nog maals op teruggekomen is om te verkrijgen, dat de loonre geling voor de ambtenaren, beambten en werklieden, die bij de waterleidingmaatschappij werkzaam zijn, minstens gelijk zijn aan de jaar- en weekloonen voor de ambtenaren en werklieden in gelijksoortige gemeentebetrekking werk zaam. Daarom zal ik aan het besluit, dat voor U ter visie heeft gelegen, de clausule toevoegen, dat de jaar- en week loonen voor de ambtenaren, beambten en werklieden aan het waterleidingbedrijf werkzaam, minstens even hoog moeten zijn als die door den Raad voor ambtenaren, beambten en werklieden in gemeentedienst zijn vastgesteld in zijne verga dering van den vijftienden October j.1. De heer Verheijen: Mijnheer de Voorzitter! Mag ik daar dit bezwaar tegen opperen, dat het m.i. feitelijk niet aangaat in de financiëele verhouding tusschen de Maatschappij en hare ambtenaren incidenteel in te grijpen. Wanneer wij aan die verhooging van 15% de voorwaarde verbinden, dat zij het loon moeten brengen op het peil onzer besluiten, dan kan daarvan het gevolg zijn, dat wij met eene hand iets geven en het met de andere hand weer terugnemen. Dat weten wij niet, althans wij kunnen dat op 't oogenblik niet beoordeelen, maar teneinde dat bezwaar te ondervangen, zou ik het be sluit, zooals het daar ligt, willen goedkeuren, en Burgemees ter en Wethouders de opdracht geven met de Maatschappij daarover te onderhandelen, en dan teneinde Burgemeester en Wethouders een wapen in de hand te geven, dat de heer Besluiten tot vermindering van den prijs der electriciteit met 25 "U tot afschrijving van f150.000 van de aanlegkosten van het electrisch net op crisisuitgaven, totbehoudvandenaflossingstermijndergeldleening opöjaaren om de prijzen van de electriciteit voor Roosendaal en voor Nispen gelijk te doen zijn. Voorstei van M.A.B.E.G. tot verhooging van den prijs van het water met 15"/o- Voorstel van M.A.B.E.G. tot verhooging van den prijs van het water der drinkwaterleiding met 150

Raadsnotulen

Roosendaal: Notulen gemeenteraad, 1918-1935 | 1918 | | pagina 100