-42- De heer VAN GORP heeft met veel belangstelling de toelichting omtrent dit punt gelezen. Daarin staat, dat burgemeester en wethouders advies willen vragen aan de sportraad. Dat stelde hem zeer teleur. Hij moet toch aannemen, dat burgemeester en wethouders op de hoogte zijn van de nood der sportverenigingen en ook, dat de raadsleden overtuigd zijn van d.e grote noodzaak d.e sport te helpen. Als we dan zien, dat men zoveel doet voor de vrijetijdsbesteding van de jeugd,voor haar karaktervorming met name, dan is het naar sprekers mening niet verstandig, dit op de lange baan te schuiven. De wethouder heeft al gezegd, dat de subsidies opgelopen zijn. Spreker heeft uitgerekend, dat er voor de cultuur 2,58 pei" jaar per hoofd wordt geraamd en voor de sport l?"'- cent. Nu krijgen de sportverenigingen 2,$0 subsidie per lid per jaar, dat is 0,05 per week. Spreker zou dat bedrag opgetrokken willen zien tot 4,psr lid per jaar en wel zonder inmenging van de sportraad. Hij doet het voorstel, vandaag tot die subsidieverhoging te besluiten. De heer RAMPAART sluit zich bij het voorstel aan. Het is moeilijk te be palen, of de ene vereniging meer verdient dan de andere. Spreker voelt er veel voor dadelijk te beslissen tot gelijkstelling van de sportvereni gingen met de jeugdverenigingen, omdat ze het nodig hebben. De heer SIMONS, wethouder, zegt, dat een jaar of vier geleden is begonnen de sportverenigingen met 2,50 per lid te subsidiëren. Er meldden zich toen 1000 leden aan. Nu zijn er al zo'n 2100 leden. De subsidiëring heeft dus zeker meegewerkt tot stimulering van de sport, de lichamelijke oefening enz. Het is ook aan spreker bekend, dat de zaak nu op de helling moet. Maar bij de sportverenigingen zijn er verschillen, die het ongemo tiveerd maken, ze alle over dezelfde kam te scheren. Een wandelsportver eniging b.v. heeft weinig kosten; een voetbalvereniging veel meer. De voornaamste subsidiëringsvorm voor de sportorganisaties is liet baschik- baarstellen van goede ruimten. Aanvullend kan er dan financiële bijstand :vorden gegeven, maar spreker wil daaromtrent toch eerst advies hebben van de sportraad, waarin de vertegenwoordigers van de sportverenigingen zit ting hebben. Op een vraag van de heer VAN GORP antwoordt de heer SIMONS, dat de zaak binnen een maand in de sportraad zal komen en dat de subsidie in elk geval op 1 januari 1960 zal ingaan. 516. De heer MOERINGS verwijst naar de vroorden van de voorzitter in zijn openingsred„e« Hij noemde de schouwburg als een voorbeeld van een geval, Yfaarin de zuinigheid de wijsheid bedroog. Over het Vrouwenhof heeft des tijds een commissie geadviseerd. Nu is er nog een tekort, omdat het een onvoltooid geheel is. Spreker zou in een volgende vergadering eens wil len vreten, hoe men zich de exploitatie in eigen beheer denkt. De VOORZITTER deelt mee, dat het bestuur van de stichting Vrouwenhof hem heeft bezocht. Het heeft toen een betoog gehouden. Spreker zou van deze hele zaak een goede indruk willen hebben en daarom zou hij het dis puut daarover thans willen uitstellen. Na enig overleg zegt hij toe, dat de raad de behandeling van deze zaak mag tegemoetzien in de maartvergadering5 spreker zal dan zijn eigen visie op de zaak kunnen geven. De heer MOERINGS wil, wat de schouwburg betreft, nog opmerken, dat die zaak destijds in dc raad aan de orde is geweest. Sr was toen een miljoenen plan. Alles was daarvoor, maar niemand kon het betalen. Men wilde wachten, maar dat zou tot gevolg hebben gehad, dat de schouwburg gesloten zou moeten 'worden. De VOORZITTER zegt, dat dan misschien de fout is geweest, dat men met een te duur plan kwam. De Nobelaer kostte een half miljoen. De heer SIMONS, wethouder, merkt op, dat het plan-schouwburg berekend was op 1.200,000, Men kan daar d_us wel 3&f° opleggen om aan de huidige prijs te komen. De VOORZITTER vindt het niet enorm duur; de Sittardse schouwburg heeft 4 miljoen gulden gekost, -538- 558. De heer RAMPAART vindt, dat aan het bestaan van deze post meer publi citeit gegeven zou moeten worden. De heer SIMONS zegt, dat hij de belanghebbenden wil helpen zodra er een verzoek komt. Als dat niet komt, kan hij echter niets doen. ó48. De heer KOPPENOL vraagt, hoelang de hier bedoelde korte termijn zal zijn. De heer SIMONS zegt, dat tot zijn verdriet deze zaak zolang heeft geduurd. Ze is echter in een beslissend stadium en binnen een maand kan een voorstel worden tegemoet gezien. 576De heer DE JONGE aegt, dat het Sociaal Charitatief Centrum veel geld kost. Spreker is zeer voor een dergelijk centrum, als het goed werkt. Hier staat alleen, dat het nog niet goed kan werken, omdat bepaalde omstandighe den dat beletten. Men kan echter stellen, dat het Sociaal Charitatief Cen trum een overkoepelend, orgaan is, dat het sociaal werk op levensbeschouwe lijke basis moet arfc'rdineren. Nu staat er in het jaarverslag, dat bijzondere zorg wordt besteed aan het lichamelijk gebrekkige kind en aan de slecht- horendenzorg. Dit nu is spreker niet duidelijk. Die groepen maken immers maar een zeer klein percentage uit van de bevolking. En zijns inziens be hoort het optreden tegen spasticiteit en tegen slechthorendheid niet tot de taak van een Sociaal Charitatief Centrum. De VOORZITTER zegt, dat dit ook hem wel enigszins vreemd voorkomt, MEVROUW ELSINGA-LOOY vraagt, wat het Sociaal Charitatief Gentrum te maken oprichting heeft met de Vrouwengilde enz. De heer RAMPAART heeft van vrouwenverengingen. Er is sprake van het over deze zaken met deskundigen"gesproken. De moge sociaal Ti- Li duina" lijkheid zit erin, er een gewestelijk SCC van te aakon*Spreker zou het toe juichen, als op die manier bezuinigd zou kunnen worden. In de parochies, waar een SCC is, is men er overigens van overtuigd, dat het voortreffelijk werkt. In de St. Jansparochie valt 10$ van de parochianen onder de zorgen van het SCC. Dat de buitenwacht dit niet ziet, is normaal; dat is hij alle erk zo.Maar als de directeur van het SCC een vereniging als "St. opricht, kan men zeggen, dat hij daar feitelijk niets mee te ma ken heeft. Overigens zijn dergelijke rapporten altijd overdreven. De heer DE JONGE zegt, dat er geen bezvraar tegen zou zijn, als man inciden teel zou optreden voor een klein neven-afdelinkje, maar men begint al te praten over een mythylschool. Spreker zegt dans schoenmakerblijf hij de leest. Hij heeft in Amsterdam - een miljoenenstad- een mythylschool gezisn en o.aar zaten 25 kinderen óp. Men bevindt zich naar sprekers mening hier toch wel op een merkwaardig zijspoor. De VOORZITTER is het daarmee eigenlijk wel eens. De heer SIMONS, wethouder, merkt op, dat het ook voor burgemeester en wet houders erg moeilijk te beoordelen is, omdat men nog in nevelen wandelt. De commissie voor sociale zaken heeft over het nagekomen subsidie 1.958 gesproken en men wilde dat gesprek volgende week voortzetten. De VOORZITTER zegt, dat de directeur een onderhoud gevraagd heeft. Spreker wil dan de gemaakte opmerkingen aan hem voorleggen. De heer BUIJSEN kan voor het grootste gedeelte met de lezing van dokter de Jonge instemmen. Ligt de oprichting van een school op de weg van een SCC? Enerzijds is het naar sprekers mening zo, dat de stichting van een sohool de taak is van een daarvoor te vormen commissie of bestuur. Nu is het echter zo, dat economische doctorandi de eigenschap hebben, onleesbare rapporten op te stellen. Maar anderzijds is spreker het toch niet geheel eens met dokter de Jonge. Spreker kan zich voorstellen, dat de directeur van een SCC adviserend en rapporterend optreedt ten aanzien van de oprich ting van een school, zoals een dokter een medisch rapport daarover zou kun nen uitbrengen. Yfanneer men leest, dat een Idduina-stichting is opgericht, moet men daarin het persoonlijke werk van een directeur zien. De VOORZITTER kan zich voorstellen, dat een directeur van een SCC ergens een leemte ontdekt. Hij moet dat dan naar sprekers mening naar voren bren gen ter plaatse, waar het thuishoort. -TW.

Raadsnotulen

Roosendaal: Notulen gemeenteraad, 1916-1999 | 1960 | | pagina 28